Tot voor kort behaalden apothekers inkoopvoordelen op geneesmiddelen. Het overheidsbeleid was daar ook op gericht; het bedrag dat apothekers vergoed kregen door zorgverzekeraars was niet dekkend voor de praktijkvoering. Van geneesmiddelen die door meerdere producenten worden gemaakt, bepaalde de apotheker welk middel de patiënt kreeg. Producenten concurreerden om de gunst van de apotheker, onder meer door het bieden van marges. Prikkels om kosten te besparen en patiënten daarvan te laten profiteren, waren er niet.
Sinds de komst van het nieuwe zorgstelsel concurreren zorgverzekeraars met elkaar om de gunst van de patiënt. Met de invoering van het preferentiebeleid bestaan er nu wél prikkels om kostenbesparingen door te geven aan de patiënt.
Nefarma kan zich vinden in een (prijs)preferentiebeleid. Daarbij kiezen individuele zorgverzekeraars voor het laagste prijsniveau bij octrooiloze geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof en toedieningsvorm. De verantwoordelijkheid voor de keuze van het geneesmiddel ligt in dit model bij de apotheker, die is gericht op kwalitatief goede farmaceutische zorg.
Het preferentiebeleid waarin de zorgverzekeraar de keuze voor één specifiek middel van één specifieke fabrikant oplegt (labelpreferentie), veroorzaakt een sterke sturing in de middelen die patiënten voorgeschreven krijgen. Labelpreferentie staat daarom op gespannen voet met kwalitatief goede zorg. Die moet gericht zijn op de specifieke medische behoefte van individuele patiënten.
Hoe werkt het?
Preferentie betekent voorkeur; in het geval van zorgverzekeraars voorkeur voor lager geprijsde geneesmiddelen. Wettelijk is het verzekeraars toegestaan om binnen een groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof één product als ‘preferent’ aan te wijzen. Middelen van een andere producent komen dan niet meer voor vergoeding in aanmerking, tenzij de arts aangeeft dat het medisch noodzakelijk is.
Voor de niet-preferent verklaarde geneesmiddelen kan dat verschillende consequenties hebben. Vaak worden ze in het geheel niet meer vergoed door de betreffende verzekeraar, tenzij sprake is van medische noodzaak. Gebruikelijker is dat zorgverzekeraars een bandbreedte hanteren van 5 procent onder en boven de prijs van het preferente product. Geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof, toedieningsvorm en sterkte die binnen deze bandbreedte vallen, worden dan toch vergoed. Ten slotte is er garantie op de levering: als een preferent middel niet kan worden geleverd, moet de verzekeraar een alternatief vergoeden.
De afspraken tussen zorgverzekeraars en producenten gelden meestal voor een periode van een half jaar tot een jaar. Soms doet dan een andere producent het goedkoopste aanbod. Dan kan de patiënt dus van de apotheker een ander geneesmiddel met dezelfde werkzame stof krijgen. Hoewel er verschillen kunnen zijn in naam, verpakking of kleur van het medicijn, zal de werking in de meeste gevallen gelijk zijn. Omdat het preferentiebeleid is gebaseerd op de werkzame stof, kan het zo zijn dat de patiënt bij een wisseling bijwerkingen ondervindt van de andere bestanddelen, die wél kunnen variëren. Verzekeraars kunnen alle geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof dus wel op één hoop gooien, maar dit kan voor de patiënt betekenen dat hij geen vergoeding meer ontvangt voor de voor hem optimale behandeling.
Wat betekent het preferentiebeleid voor …
… de patiënt
Labelpreferentie maakt dat een (chronische) patiënt bij herhaling van het recept keer op keer een ander merkloos product kan meekrijgen, afhankelijk van de keuze van de zorgverzekeraar. Dit kan leiden tot verwarring bij de patiënt en kan gevolgen hebben voor het succes van de therapie en de therapietrouw. Bij prijspreferentie is de kans kleiner dat de patiënt iedere keer een ander middel krijgt voorgeschreven. In dat model bepaalt de zorgverzekeraar immers tot welke prijs een apotheker een geneesmiddel vergoed krijgt, en staat het de apotheker vrij om te bepalen waar en voor welke prijs hij het betreffende middel inkoopt. Daarmee ligt de keuze en dus de verantwoordelijkheid bij de apotheker, die dichter bij de patiënt staat.
… de zorgverzekeraar
Via het preferentiebeleid kunnen zorgverzekeraars zich onderling onderscheiden, bijvoorbeeld door wel of geen preferentiebeleid te voeren, of door dat beleid op verschillende manieren in te vullen.
… arts en apotheker
De arts is verantwoordelijk voor het stellen van de diagnose en de keuze van behandeling. Hij moet vrij zijn in het maken van de keuze welk geneesmiddel hij aan de patiënt voorschrijft, omdat hij als enige een totaalbeeld heeft van de patiënt. Zorgverzekeraars die een labelpreferentiebeleid voeren, maken de afspraak met huisartsen en specialisten dat zij de naam van de werkzame stof op het recept schrijven. De apotheker, die door zijn opleiding en ervaring kennis heeft over geneesmiddelen en over het gebruik in de praktijk, moet vervolgens het goedkoopste middel leveren. Dat beperkt zijn keuzevrijheid. In geval van prijspreferentie is dat veel minder het geval. Bijkomend nadeel van het preferentiebeleid is de toename van de administratieve lasten voor apothekers, die te maken hebben met verschillende zorgverzekeraars die een verschillend preferentiebeleid voeren, dat ook nog periodiek wijzigt.