De Nederlandse farmamarkt is een dwerg met reusachtige potenties, kopte recentelijk het Financieele Dagblad. En Trouw vergeleek de Nederlandse biotechsector met een wei vol schapen. Alhoewel: “Die sector verkeert nog in de lammetjesfase. Voordat een product ’volwassen’ is, en van molecuul tot medicijn geworden, gaan er soms wel twintig jaar voorbij. Vooralsnog zijn er ongeveer 50 medicijnen in ontwikkeling in Nederland, waarvan het merendeel zich in de begin- en middenfase van het onderzoek bevindt.”
De voor Nederland nadelige beslissingen van farmabedrijven MSD en Abbott om r&d naar andere delen van de wereld te verplaatsen, heeft de aandacht nadrukkelijk gevestigd op het belang van de hoogwaardige werkgelegenheid die deze sector met zich meebrengt. Duizenden onderzoeksbanen gaan verloren. Het graantje dat Nederland meepikt van de astronomische r&d-bedragen die de grote farmaceuten wereldwijd spenderen (met bijna 80 miljard euro per jaar is dat meer dan in welke sector ook), wordt zienderogen kleiner. Maar hoe moet dat dan met die veelbelovende biotechsector? Kan die ook gedijen zonder de aanwezigheid van de onderzoeks- en productiecentra van ‘big pharma’? Moet de Nederlandse overheid nog wel investeren in deze sector? Het antwoord is zonder meer ‘ja’, zeggen in dit dossier onder meer de bazen van de biotechbedrijven Pharming, Pepscan en Galapagos.