“Natuurlijk wil je altijd meer doen om proefdiergebruik terug te dringen. Maar er gebeurt al heel veel en gezien de beschikbare mogelijkheden en middelen durf ik de stelling wel aan dat alle partijen in Nederland hun verantwoordelijkheid volop nemen.” Ronald Bontrop, directeur van het primatencentrum in Rijswijk, toont zich optimistisch over de vooruitgang.
Het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) in Rijswijk staat symbool voor de verbetering van het dierenwelzijn in Nederland. Het centrum heeft in de afgelopen jaren een enorme verbouwing doorgemaakt waarbij het welzijn van de apen centraal stond en alle aanpassingen volgens de meest moderne normen zijn gedaan. “Het is belangrijk te investeren in grote kooien, kooiverrijking en in het trainen van dieren om stress te verminderen. We zijn al goed bezig, maar het kan altijd nog beter”, zei directeur Ronald Bontrop afgelopen najaar in Nefarma&. Datzelfde statement gaat net zo goed op voor de wens, ook in Rijswijk, om het proefdiergebruik terug te dringen en alternatieve vormen van onderzoek te ontwikkelen. “Je zou kunnen zeggen dat we continu werken aan de opheffing van onszelf”, zegt Bontrop daarover. Hij is dan ook positief ingesteld waar het gaat om de inzet van alle betrokkenen om tot die alternatieven te komen. “Ik geloof oprecht dat iedereen zijn verantwoordelijkheden erkent en zijn uiterste best doet om waar mogelijk de drie v’s (vervangen, verminderen, verfijnen - red.) toe te passen. Als je dat nog verder wil versterken, dan kan dat natuurlijk, maar dan moet er meer geld in. We hebben met z’n allen de verplichting om het gebruik van dierproeven zo snel mogelijk af te bouwen, maar we moeten de realiteit daarbij niet uit het oog verliezen. Afschaffen doe je niet in één klap, dat is een zaak van lange adem.” Dat het zo snel niet gaat, heeft volgens Bontrop ook een andere verklaring: “Vergeet niet dat we overal in de samenleving vragen om maximale veiligheid, dat we alle risico’s willen uitbannen. Vaak val je dan terug op bestaande, oude manieren om die zekerheid te kunnen bieden.”
Met Zuidgeest deelt Bontrop de opvatting dat als we écht iets willen op dit gebied, er meer geld in moet worden gestoken. “We moeten het nog veel meer als serieuze wetenschap beschouwen en het onderzoek dus extra stimuleren. De basis in Nederland is goed, op het gebied van dierenwelzijn en 3v-onderzoek lopen we samen met Engeland voorop. Alternatievenonderzoek is een belangrijk métier en dat wordt ook wel erkend. Niet eens alleen vanuit de maatschappelijke druk; bedrijven hebben ook financiële argumenten om naar alternatieven te zoeken. Proefdieronderzoek is erg duur, dat geeft genoeg reden voor bedrijven om er zuinig mee om te gaan. Maar ik ben het eens met mevrouw Zuidgeest als zij zegt dat de financiering om alternatieven voor proefdiergebruik te ontwikkelen achterblijft bij de investeringen die worden gedaan in onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen en ander medisch onderzoek.”
Een Gezondheidsraad-achtige adviescommissie, zoals de stichting Proefdiervrij die voor ogen heeft om de advisering richting overheid te stroomlijnen, leidt bij Bontrop niet direct tot veel enthousiasme. “Het is altijd goed dat partijen met elkaar om tafel gaan; je kunt beter met elkaar dan over elkaar praten. Maar ik heb de indruk dat de overheid dit allemaal goed geregeld heeft, al kan ik daar natuurlijk ook niet in de keuken kijken.” Het fonds waaraan de stichting Proefdiervrij vorige maand bijna zes ton doneerde, suggereert volgens Bontrop goede wil, maar valt desondanks vooralsnog onder de noemer ‘klein kapitaal’. “Natuurlijk, je moet ergens beginnen, en er gaat zeker een positief signaal vanuit. Maar met zulke bedragen ga je niet alle proefdieren de wereld uit helpen. Daarvoor moeten we het veel structureler aanpakken. Ik heb zelf bijvoorbeeld best nog wat wensen. Wij volgen, om maar eens wat te noemen, alle methodes en technieken op het gebied van niet-invasieve dierproeven. Daar kunnen we zeker nog stappen in maken, maar dan heb je het over dure instrumenten en dus over forse investeringen. Het is een simpel verhaal: als je geld hebt, kun je veel makkelijker dingen doen.” Geld, maar ook maatschappelijk draagvlak. En dat laatste heeft Bontrop zienderogen zien groeien. “We leggen netjes uit wat we doen en krijgen daar veel waardering voor. We zien ook dat het tot meer begrip leidt. Onze website wordt veelvuldig geraadpleegd, we krijgen vaak bezoek en verzorgen regelmatig rondleidingen. We krijgen ook geld om te kijken hoe en op welke gebieden we alternatieven kunnen ontwikkelen. Wat dat betreft heeft de overheid ook best een pluim verdiend; er is veel verbeterd, zeker op het gebied van dierenwelzijn. Een verschil van dag en nacht als je het vergelijkt met vroeger. Dat is iets waar we met z’n allen trots op mogen zijn.” Of dat op 24 april nog éxtra is gevierd met de apen in Rijswijk? “Nee hoor”, lacht Bontrop. "Bij ons is het elke dag Proefdierendag."