Het promotiebudget van farmaceutische bedrijven wordt niet altijd even effectief besteed. Sara Kremer promoveerde in februari op een onderzoek waaruit onder meer die conclusie naar voren kwam. “Over de ideale mix van promotionele activiteiten heerst onwetendheid in de industrie.”
Kremer onderzocht de afgelopen vijf jaar hoe fabrikanten van geneesmiddelen hun producten beter onder de aandacht kunnen brengen van artsen én consumenten. Met name dat laatste is, zeker in Europa, een no go area. Toch betrad ze het gebied, zich volkomen bewust van het feit dat hier sprake was van een explosief onderwerp. “Het commerciële aspect van een markt die draait om gezondheid leidt tot een gevoelige combinatie”, stelt ze. Juist die gevoeligheid wekte haar interesse, toen ze als student-assistent in aanraking kwam met uitgebreide data-modellen die inzicht gaven in de effectiviteit van marketinginstrumenten. “De farmaceutische markt is een bijzondere en ongelooflijk intrigerende markt. Het instrument prijs is natuurlijk erg belangrijk, zoals in iedere markt, maar in de farma heeft het een totaal andere functie. De totstandkoming van prijzen verloopt bijvoorbeeld heel anders. Daarbij komt nog dat consumenten niet zelf beslissen over de aanschaf van het product. Er zijn veel sturende krachten, zoals de overheid en de zorgverzekeraars.”
Wat dat betekent voor de marketing van nieuwe geneesmiddelen, en dan met name het effect van promotionele inspanningen door farmaceutische bedrijven, vormde de kernvraag van Kremers onderzoek. Het viel haar op dat farmaceutische bedrijven, zeker in landen waar promotie gericht op consumenten is toegestaan (zoals de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland), veel geld aan de marketing van hun producten besteden. Volgens de onderzoekster heeft dat mede te maken met de beperkte duur van octrooien, waardoor de ‘marketingtruc’ minder lang bruikbaar is dan in andere markten. “Geneesmiddelenfabrikanten moeten in een beperkt aantal jaren hun investeringen terugverdienen. Daarna kunnen anderen het product namaken en op de markt brengen, met sterk dalende inkomsten voor de oorspronkelijke ontwikkelaar als gevolg. De meest effectieve manier om in die beperkte periode het innovatieve middel te promoten, is het onder de aandacht te brengen van artsen”, ondervond ze. “Maar dat is niet eenvoudig; de groep huisartsen die artsenbezoekers nog willen ontvangen, wordt kleiner. Huisartsen hebben vaak duizend-en-een andere dingen aan hun hoofd. Artsenbezoekers krijgen slechts luttele minuten de tijd. Toch blijkt uit mijn data en uit eerder onderzoek dat dit directe contact het meest waardevol is om het product bij artsen en specialisten op het netvlies te krijgen.”
Om de effecten te kunnen analyseren van geneesmiddelenpromotie bij consumenten, week Kremer noodgedwongen uit naar de Verenigde Staten. Dergelijke publieksreclame is in Nederland, net als in de meeste andere landen, immers verboden. “De resultaten van onderzoek in de VS kun je niet automatisch doorvertalen naar hier. De markt is op een andere manier georganiseerd en mensen reageren anders op reclame”, zegt ze. Opvallend is dat de effectiviteit van publieksreclame beperkter is dan het effect van activiteiten die gericht zijn op artsen. “Vaak wordt ervoor gewaarschuwd dat het gevaarlijk is dat iedere grote marketingmachine een willekeurig medicijn in de markt kan zetten. Uit dit onderzoek blijkt echter dat in vergelijking met andere markten de effectiviteit niet heel hoog ligt.” Gelijktijdig inzetten van beide instrumenten geeft wel een versterkt effect, concludeert ze. “Ik heb me gericht op marketingmodellen en niet op wetgeving en sociale discussies over wenselijkheid van bepaalde activiteiten. Dus in dat opzicht kan ik ook geen conclusies trekken. Wel kan ik op basis van de resultaten de iets mildere stelling formuleren dat promotie gericht op de eindgebruiker ook in Nederland een waardevolle toevoeging zou kunnen zijn, juist ook voor de patiënten.” Dat laatste komt mede voort uit haar opvatting dat ‘de gemiddelde patiënt’ niet bestaat. “Zeker in het geval van chronisch zieken gaat het om mensen die ontzettend veel met hun ziekte of aandoening bezig zijn, en dus ook met hun behandeling. Als de patiënt beter op de hoogte is van alle alternatieven, is hij of zij beter in staat om het gesprek met zijn of haar behandelaar aan te gaan. Zeker op het terrein van bijwerkingen of toedieningsgemak is de eindgebruiker de enige die de beslissing kan nemen of iets acceptabel is. Gevoelsmatig blijft het voor mij een raar fenomeen dat in deze markt je invloed als consument beperkt is en dat de arts zo ontzettend veel meer informatie heeft.”
De explosiviteit van het thema publieksreclame voor geneesmiddelen maakte dat Kremer te maken kreeg met heftige reacties, vertelt ze. “Delen uit het persbericht zijn nogal uit hun verband gerukt en het viel me op hoe fel sommige mensen reageerden. De kern van mijn onderzoek was niet een pleidooi voor reclame; ik wilde helderheid verschaffen over de effectiviteit van de gebruikte instrumenten. Daar valt nog het nodige te verbeteren. Bedrijven doen ongetwijfeld het maximale, maar het is heel erg moeilijk om te bepalen hoe marketingbudgetten het beste kunnen worden ingezet. Welke instrumenten zet je in, op welk moment, richting wie? Als je de weg opent naar publieksreclame, moet dat nog altijd aan regels gebonden zijn. Dat is in de VS niet anders: fabrikanten mogen in hun spotjes weliswaar wat over de voordelen van hun product zeggen, maar zijn tevens verplicht om aan het eind ook de nadelen te noemen. Dat soort regelgeving is fundamenteel, er moet een balans in zitten. Anders wordt de voorschrijver bij iedere introductie van een nieuw product overspoeld met verzoeken om de bestaande behandeling aan te passen.”