Eelke van der Veen (PvdA)

Preferentiebeleid is volgens Eelke van der Veen (Tweede-Kamerlid voor de PvdA) een goede manier om te bezuinigen in de zorg. Maar de patiënt mag er niet onder lijden: “Je spreekt over moleculair identieke middelen, waar alleen een ander prijskaartje aan hangt. Dan ligt het voor de hand om te kiezen voor de goedkoopste variant. Ik vind wel dat je heel voorzichtig moet zijn met de effecten die het gevolg kunnen zijn.”

“Door andere hulpstoffen kan er bijvoorbeeld een verschil zijn in afgiftesnelheid. Zeker bij ziektes waar de instelling heel belangrijk is, zoals bijvoorbeeld epilepsie, speelt die afgiftesnelheid een grote rol. Dan kun je ook niet voortdurend van geneesmiddel gaan wisselen. Daarnaast vind ik dat de arts uiteindelijk altijd de baas is bij het voorschrijven. Als die besluit dat een patiënt toch meer gebaat is bij de duurdere variant, dan is die medische noodzaak blijkbaar aanwezig en dan moet dat kunnen. Zo is het ook in de wet vastgelegd.”

Zelfs al is de werking precies gelijk, dan nog vinden patiënten het vervelend om elke keer weer met een ander doosje thuis te komen. De ene keer een rond geel pilletje, de andere keer een vierkante witte. Fouten bij de inname en dosering zijn op die manier snel gemaakt. Eelke van der Veen onderschrijft de noodzaak voor continuïteit. “Het grote probleem in de uitvoering van het preferentiebeleid ligt in de manier waarop zorgverzekeraars hun aanbestedingen doen. Toen het beleid net werd ingevoerd, besteedden alle zorgverzekeraars het op hetzelfde moment aan. Dat leidde tot grote uniformiteit, omdat op dat moment dan één bepaald generiek middel het goedkoopste was en dus door alle maatschappijen als preferent werd aangegeven. De industrie voor generieke geneesmiddelen heeft toen een proces aangespannen, omdat bedrijven vonden dat het een verstoring van de marktwerking was. Zij hebben in eerste instantie gelijk gekregen, waardoor vervolgens alle aanbestedingen op verschillende tijdstippen werden gedaan. Dat zorgde voor een veel grotere variatie in de preferente middelen. De apotheken moesten daarmee veel verschillende middelen in huis hebben. Dat gaf vooral problemen op het gebied van logistiek en beschikbaarheid, maar het had ook een nadelige invloed op de rentabiliteit van de apotheek. Inmiddels mogen de verzekeraars wel weer op hetzelfde moment aanbesteden. Dat zal de continuïteit vergroten. Ik verwacht ook dat er uiteindelijk stabilisatie in de prijs zal optreden, dan is er permanent een goedkoopste aanbieder en zullen die wisselingen er veel minder zijn.”

Besparing
Maar hoeveel levert het nou eigenlijk op voor de maatschappij? Een patiënt die zelf aan het rekenen slaat, komt soms uit op besparingen van een paar euro per jaar. En wie profiteert er eigenlijk van die besparingen en die bonussen? Verdwijnen die niet gewoon in de zakken van de apothekers en de verzekeringsmaatschappijen? Meer transparantie in het aanbestedingsproces is iets waar Eelke van der Veen zich al lang voor inzet. “Er worden nu allerlei verschillende modellen gehanteerd. Sommige zijn heel ondoorzichtig. Dan krijg je dus de situatie dat iemand een medicijn voor tachtig cent meekrijgt, terwijl zijn buurman voor precies hetzelfde doosje twee euro heeft betaald. Dat wordt dan later via de achterdeur wel verrekend, maar dat is niet duidelijk voor patiënten en het schept een heel vreemd beeld. Er zijn wel verzekeraars die het nu op een transparante manier doen, zoals Menzis, en ik ben er voor dat dat de standaard wordt. Dat patiënten kunnen zien waar de voordelen worden behaald, en dat ze die voordelen terugzien in de vorm van lagere verzekeringspremies.”

“Het vervelende is dat de verhouding tussen apothekers en zorgverzekeraars behoorlijk verziekt is. Dat komt van beide kanten. De apothekers hebben zich eerst veel te lang verzet tegen het preferentiebeleid. Dat heeft tot veel irritatie geleid bij de zorgverzekeraars. Sommige verzekeraars zijn daarna weer de andere kant op geschoten in een houding van ‘wij zullen wel eens even laten zien wie de baas is’. Wat mij betreft staan ze nu wel quitte en moeten ze een streep trekken onder die oude problemen. Het is tijd om constructief te gaan praten over inhoudelijke oplossingen. Mijn dringende oproep is: ga toch met elkaar om de tafel zitten om het vertrouwen terug te krijgen. Ga kijken naar andere financieringsmodellen, naar een soepeler manier om samen te werken. Deze dingen moeten ook eigenlijk helemaal niet door de politiek worden opgelost; wij kunnen alleen maar proberen zo’n overleg te stimuleren. De commissie-Alders was daarvoor ingesteld, maar dat liep voor geen meter. De bereidheid om van vergadering naar vergadering te rennen moet er wel zijn. Als die clubs hun verantwoordelijkheid nemen en komen tot een transparante en uniforme werkwijze, zal dat de continuïteit absoluut bevorderen. Het is in deze tijd de plicht van iedereen om te bezuinigen op gezondheidszorg. Maar het gaat uiteindelijk wel om de patiënt en die moet niet de dupe worden van dit soort ongemakkelijke verhoudingen.”

Patiëntenverenigingen klagen dat sommige verzekeraars onvergelijkbare middelen als identiek en uitwisselbaar benoemen. Van der Veen vindt dat er geen enkel risico genomen mag worden. “Ik vind het vanzelfsprekend dat de zorgverzekeraars zich bij het vaststellen van alternatieven voor medicatie baseren op degelijk klinisch onderzoek. Er moet natuurlijk nauw overleg zijn met de beroepsgroep en als er ook maar enige twijfel is over de veiligheid of de gelijkwaardigheid van een medicijn, dan moeten ze het gewoon niet in preferentie nemen. En wat de zorgverzekeraar ook zegt: de arts en de apotheker hebben uiteindelijk het laatste woord. Die zijn daarvoor opgeleid.”