Voor Reinier Veenhoven staat het wel vast: meer onderzoek met kinderen is gewoon nodig. Er is onvoldoende bekend over de werking bij kinderen. Vanuit zijn dagelijkse praktijk als arts en onderzoeker is hij verbaasd over de beoordeling van onderzoeksvoorstellen. Er zijn geen eenduidige regels en de regels zijn niet altijd gebaseerd op meetbare gegevens. Zo is bijvoorbeeld voor bloedprikken bij kinderen slechts één poging per consult toegestaan. Zo’n beperking is er niet bij het afnemen van neuswatten, terwijl dat ook echt niet prettig is voor kinderen. “Hoe belastend bloedprikken is, hoeveel bloed je per keer bij een kind kunt afnemen of hoe groot de succeskans is bij één keer prikken, is nooit onderzocht. Er is op dat front veel discussie, ook tussen artsen en farmaceuten”.
Veenhoven is niet tegen regels, maar ze moeten hun doel niet voorbij schieten. Goede monitoring is zinvoller dan te strakke regels en te veel papierwerk. “We zijn te veel gericht op procedures en te weinig op de daadwerkelijke eindpunten van het onderzoek”. Hij vermoedt dat in het buitenland veel meer mag dan in Nederland. Europese harmonisatie is gewenst, ook om te vermijden dat bedrijven naar landen uitwijken waar het gemakkelijker is.
Naast aandacht voor regelgeving wil Veenhoven meer aandacht voor praktische uitvoerbaarheid van onderzoek. Zeker bij kinderen is die minstens zo belangrijk als de onderzoeksopzet. Onderzoekers moeten uit hun ivoren toren komen en meer contact houden met de buitenwereld, meent hij.