Lex Goudswaard (NHG)

Bij de onderwerpselectie noch bij het schrijven van richtlijnen ziet Lex Goudswaard, hoofd richtlijnontwikkeling bij het Nederlands Huisartsen Genootschap, reden om de deskundigheid van farmaceutische bedrijven nadrukkelijker te benutten. “Door uitvoering of sponsoring van onderzoeken die wij bij het opstellen gebruiken, zit de farma virtueel al ruimschoots aan tafel.”

Werkgroepen die behandelrichtlijnen samenstellen zijn vatbaar voor beïnvloeding door de farmaceutische industrie, concludeerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg eind vorig jaar aan de hand van eigen onderzoek. Om die invloed te beperken, streeft de IGZ naar een ‘richtlijn voor richtlijnontwikkeling’. “Opstellers en gebruikers van behandelrichtlijnen worden zich zo meer bewust van de mogelijke invloed die de farmaceutische industrie op de totstandkoming van behandelrichtlijnen kan hebben”, aldus de IGZ in een persbericht. De mensen van het Nederlands Huisartsen Genootschap, een van de belangrijkste organisaties die betrokken zijn bij het opstellen van richtlijnen, lijken zich daarvan echter al volkomen bewust. “Het speelveld is nu wel erg aantrekkelijk voor de medicijnfabrikanten”, zei bijvoorbeeld hoofd richtlijnontwikkeling Lex Goudswaard eerder dit jaar in een interview. “Zij mogen artsen bezoeken en nascholing geven. Ze hebben enorme vrijheid. Fabrikanten hoeven niet eens te bewijzen dat een middel beter is dan een vergelijkbaar middel dat al op de markt is. Overal waar ze kan, oefent de industrie invloed uit. Wij roeien tegen de stroom in.”

In een gesprek aan de vooravond van Nefarma’s Glazen Zaal Debat over behandelrichtlijnen, waar Goudswaard een van de inleiders is, herhaalt hij zijn standpunt dat commerciële partijen als verzekeraars en farmabedrijven geen verdere invloed moeten krijgen op de totstandkoming van de richtlijnen. Wat hem betreft houdt die invloed op bij het uitvoeren of sponsoren van onderzoek, dat vervolgens door richtlijncommissies kan worden gebruikt. Lex Goudswaard: “Ik zie geen toegevoegde waarde in een nog grotere rol voor de farmaceutische industrie.” Ook vindt hij dat de industrie in haar contacten met artsen niet transparant is over de toegevoegde waarde van haar middelen. “De farmaceutische industrie zet middelen met veel bombarie op de markt, ook als niet of nauwelijks is aangetoond dat die een meerwaarde hebben. Daar worden dan miljoenen euro’s aan marketing tegenaan gegooid. De industrie is onvoldoende open over de bedragen die zij inzet om bijvoorbeeld artsen te beïnvloeden of hen als opinieleider te laten optreden. Zo ondermijnt de industrie het gebruik van de richtlijnen door de arts en uiteindelijk het vertrouwen van de patiënt in de voorschrijver. Het NHG is een belangrijke waakhond, wij bieden tegenwicht. Een Nederlandse sunshine act, die de industrie dwingt om openheid te geven over dit soort zaken, is dan ook dringend gewenst.”
Veelgehoorde kritiek onder farmabedrijven is dat het door de uitgebreide procedures vaak veel te lang duurt voordat een innovatief middel wordt opgenomen in een richtlijn. Aan de markttoelating van een nieuw geneesmiddel gaat gemiddeld twaalf jaar van onderzoek en ontwikkeling vooraf, waarbij aan de allerstrengste eisen moet worden voldaan. Waarom heeft een richtlijncommissie dan nog zoveel tijd nodig om een goedgekeurd medicijn op te nemen? Het NHG is bewust terughoudend met het aanbevelen van nieuwe middelen in zijn richtlijnen, stelt Goudswaard. “In het verleden zijn artsen onder druk van de farma te snel geweest met het grootschalig voorschrijven van zogenaamd nieuwe middelen. Neem de cox-2-remmers, of de derde generatie pil. Daardoor zijn doden gevallen. Ons wordt wel verweten dat we door onze handelwijze geen ruimte geven aan innovatieve medicijnen. Maar aan de andere kant: er zijn de afgelopen jaren erg weinig middelen op de markt gekomen die voor de patiënt in de huisartsenpraktijk een echte doorbraak betekenden.”

Kostenbesparing kan volgens Goudswaard een nog veel grotere rol spelen bij het opstellen van behandelrichtlijnen. “Enigszins gechargeerd vind ik dat als een middel twee keer zo duur is, de gezondheidswinst ook twee keer zo groot moet zijn. In de praktijk is dat nu niet het geval.” Daarmee wijst hij ook nadrukkelijk naar zijn eigen beroepsgroep die, zo stelt hij, de afweging tussen de kosten en kwaliteit van een medicijn vaak niet goed maakt. “Het prijsverschil tussen generiek en spécialité kan in het honderdvoudige lopen. Bij cholesterolmiddelen gaat het in Nederland bijvoorbeeld om tientallen miljoenen aan preventieve medicatie. Daarop kunnen we enorm besparen. Ik voel als huisarts én als richtlijnontwikkelaar een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid om te gaan voor de beste prijs-kwaliteitverhouding.” Een zorgverlener die systematisch duurder voorschrijft dan het gemiddelde, past feitelijk de richtlijn niet toe en moet daarover verantwoording afleggen, vindt Goudswaard. Maar het omgekeerde komt ook voor,
 weet hij: artsen die te weinig oog hebben voor de individuele behoeften van een patiënt. "Zowel de arts die altijd het goedkope middel voorschrijft, als de arts die altijd de duurste middelen kiest, heeft iets uit te leggen."